Efficiëntie Injectie versus onderzagen! WTCB TV252

Het doel van de vochtdiagnose in gebouwen is om alle vocht­oorzaken te identificeren en te lokaliseren, zodat de meest geschikte interventies bepaald kunnen worden.


Opstijgend vocht is één van de meest voorkomende vocht­oorzaken in oude gebouwen, maar ook één van de meest hinderlijke. Het wordt daarom meestal prioritair behandeld. Vandaar dat dit hoofdstuk zich toespitst op de interventietechnieken tegen opstijgend vocht, terwijl de behandeling van zouten en van andere vochtoorzaken aangekaart wordt in het volgende hoofdstuk.

Het is echter van fundamenteel belang dat er eerst een correcte diagnose gesteld wordt, voordat men overgaat tot interventies om het opstijgende vocht te bestrijden. Een groot aantal gebouwen vertoont immers vochtproblemen die niet te wijten zijn aan capillair stijgvocht. De behandeling van dit verschijnsel mag dus geen automatisme worden, maar moet het gevolg zijn van vaststellingen en voorafgaande metingen.

Er is een uitgebreid gamma van behandelingen op de markt om de effecten van stijgvocht te bestrijden. Sommige van deze behandelingen hebben tot doel om de oorzaak van het verschijnsel te elimineren door het blokkeren van de capillaire opstijgingen, terwijl andere behandelingen proberen om de omvang van de schadelijke gevolgen te beperken.

Deze technieken zullen in detail behandeld worden op de volgende pagina's en worden geklasseerd in functie van hun werkingsprincipe:

  • systemen om capillaire opstijgingen te blokkeren
  • bedekking van het metselwerk boven het grondpeil
  • andere ingrepen.

HET BLOKKEREN VAN OPSTIJGEND VOCHT

Ingrepen om opstijgend vocht te blokkeren hebben als doel om capillaire opstijgingen uit te sluiten door middel van een fysieke of fysicochemische barrière, die verhindert dat water onder vloeibare vorm migreert door het metselwerk.

Om doeltreffend te zijn, moet de barrière ononderbroken zijn en moet deze zo aangebracht worden dat omzeilingen uitge­sloten zijn. De barrière moet dus op alle punten hoger liggen dan het niveau van het grondpeil en van de buiteninrichtin­gen die in rechtstreeks contact staan met het metselwerk, maar zal zich meestal ook boven het niveau van de afgewerk­te binnenvloer bevinden (bv. ter hoogte van de plinten). Als de technieken om het opstijgende vocht te blokkeren niet toegepast worden op alle muren in een ge­bouw, is het aan te raden om verticale barrières te voorzien tussen de behandelde en de niet-behandelde muren, door­gaans tot op een hoogte van 1,2 tot 1,5 meter. Deze verticale barrières zijn bestemd om lateraal vochttransport te vermij­den en kunnen op dezelfde manier uitgevoerd worden als de horizontale barrières.

PLAATSING VAN EEN FYSIEK VOCHTSCHERM

De plaatsing van een vochtscherm aan de muurvoet is tegen­woordig de gangbare praktijk in nieuwe gebouwen. De plaat­sing van een fysiek vochtscherm, zoals een membraan, is onder bepaalde voorwaarden ook mogelijk voor de renovatie van oude gebouwen. De ingreep bestaat uit het aanbrengen van een waterdicht materiaal in de te behandelen muur en over zijn gehele doorsnede in de vorm van membranen, pla­ten of (hydraulische of harshoudende) waterwerende mor­tels. De uitvoering verschilt volgens het gebruikte materiaal:

De realisatie van horizontale sleuven voor de plaatsing van membranen of (half-)stijve platen

Het aanbrengen van stijve platen ter hoogte van een voeg met behulp van een pneumatische trilvijzel of het boren en afdichten met mortel van twee reeksen gaten die elkaar overlappen (systeem dat vergelijkbaar is met de secanspalenwanden die gebruikt worden voor de constructie van grondkerende muren).

De uitvoering van horizontale sleuven gebeurt in drie fasen. Eerst brengt men de sleuven aan over een lengte van één meter, waarbij telkens een interval van twee meter intact metselwerk vrijgelaten wordt tussen iedere sleuf. Vervolgens wordt het vochtscherm in de gemaakte sleuven geplaatst en wacht men tot het dichtingsmateriaal voldoende uitgehard is. Nadien wordt deze operatie tweemaal herhaald op de de­len van het metselwerk die voordien intact gelaten werden. Op deze manier bekomt men een ononderbroken vocht­scherm over de volledige lengte van het metselwerk.

Als dit soort behandeling uitgevoerd wordt volgens de regels van de kunst, is ze uitermate efficiënt en kan ze beschouwd worden als een referentietechniek voor drogingswerken

Omwille van praktische redenen wordt dit soort interventie echter zelden toegepast. Deze techniek is immers niet toe­pasbaar op dikke muren, noch op muren bestaande uit breuksteen zonder ononderbroken horizontale voegen, noch op instabiel metselwerk. Bovendien zijn alle varianten op deze techniek bijzonder arbeidsintensief, wat een nega­tieve invloed heeft op de kostprijs van de interventie. Daar­naast is het voor de plaatsing van een fysiek vochtscherm meestal noodzakelijk dat de muur langs weerszijden bereik­baar is, waardoor gemene muren vaak uitgesloten zijn. De afwezigheid van buizen, leidingen en kabels in de muren is bovendien een noodzakelijke voorwaarde voor het aanbren­gen van het vochtscherm. Vanwege het lawaai en het stof dat gepaard gaat met deze interventie, kan ze ten slotte alleen toegepast worden in leegstaande gebouwen.

INJECTIE VAN VOCHTWERENDE OF PORIËNVULLENDE PRODUCTEN


De term ‘injectie’ zoals gebruikt in deze TV, duidt op de ver­schillende methoden voor het aanbrengen van vochtwerende of poriënvullende producten in metselwerk. Dit kan gebeuren onder invloed van de zwaartekracht (diffusie), door injectie onder middelhoge of lage druk of door de diffusie van een pro­duct dat aangebracht wordt in de injectiegaten in crèmevorm.

Een dergelijke behandeling bestaat uit het vochtwerend ma­ken of het opvullen van de poriën van het metselwerk over de volledige doorsnede van de muur. Op deze manier wordt er een zone gevormd die capillaire vochtopstijging verhindert.

De poriënvullende producten op basis van alkalische silica­ten, acrylamiden of synthetische harsen, worden haast nooit meer gebruikt voor dit soort ingrepen. Deze producten, die bestemd zijn om capillaire opstijgingen te verhinderen door de poriën van het materiaal volledig te vullen, vertonen im­mers meerdere gebreken: migratiemoeilijkheden in vochtige materialen, schadelijke bijwerkingen (vlekken, uitbloeiin­gen...) of ontoereikende prestaties.

Ze worden voortaan vervangen door vochtwerende producten die de materialen waterafstotend maken door de oppervlakte-energie van hun poriënwanden te verminderen. Capillaire absorptie is immers te wijten aan de hoge oppervlakte-energie (ongeveer 80 mN/m) van de poriënwanden, die kenmerkend is voor poreuze bouwmaterialen (steen, mortel, baksteen, betonblokken ...). Deze hoge oppervlakte-energie vertaalt zich in het aantrekken van watermoleculen, die hierdoor tot op een zekere hoogte in het poriënnetwerk kunnen stijgen, ondanks de zwaartekracht. Door het beperken van de oppervlakte-energie keren de vochtwerende producten deze tendens om door de poriën van de materialen waterafstotend te maken. Deze producten zijn dus niet bedoeld om de poriën op te vullen maar wel om de eigenschappen van de poriënwanden te wijzigen.

Meer dan veertig jaar praktijkervaring op de werf en talloze onderzoeken van het WTCB en in het buitenland hebben aan­getoond dat de drogingsresultaten van de behandelingen door de injectie van vochtwerende producten vergelijkbaar zijn met de resultaten die bekomen worden door de plaatsing van een waterkerend membraan. De behandelingen door in­jectie onderscheiden zich daarnaast ook door hun polyvalen­tie en door hun eenvoudige en snelle uitvoering.

Anderzijds hebben de werfervaring en de onderzoeksresul­taten het belang aangetoond van de keuze van het vochtwerende product. De doeltreffendheid van de producten is in werkelijkheid afhankelijk van het type actieve stof, even­als van hun formulering (watergedragen, oplosmiddelgedra­gen, crème of gel). Het is vanzelfsprekend dat de efficiëntie van een behandeling met injecties tevens afhangt van de kwaliteit van de diagnose, de uitvoering en de drogingsmo­gelijkheden van het metselwerk.

Keuze van het injectieniveau

Als algemene regel wordt gesteld dat het horizontale injectie­niveau zich boven en zo dicht mogelijk bij het hoogste van de volgende twee niveaus moet bevinden :

het hoogste niveau van de bodem of van de infrastructuur (bv. terras) van de buitenomgeving die in direct contact staat met het metselwerk het niveau van de afgewerkte binnenvloer (gelijkvloers of kelder).

In sommige gevallen kunnen de (gedeeltelijk) ingegraven mu­ren tegen het opstijgende vocht beschermd worden door de injectie van een horizontale barrière in combinatie met een verticaal dichtingssysteem. Een dergelijke oplossing kan en­kel overwogen worden als de vochtproblemen louter het ge­volg zijn van capillair vochttransport. Ze kan dus niet toege­past worden voor waterinfiltraties vanuit een grondwaterlaag die op een hoger niveau ligt dan het vloerpeil van de ingegra­ven ruimte of voor infiltraties die het resultaat zijn van een ophoping van oppervlaktewater langs de wanden.

Bij ingegraven muren die afgescheiden worden van de om­liggende grond door een verticaal vochtscherm aan de bui­tenzijde van de muur, kan de injectie uitgevoerd worden in het onderste deel van de muren.

De aan­wezigheid van een verticaal vochtscherm verhindert immers het vochttransport in horizontale richting van de grond naar het metselwerk. De grond die rechtstreeks in contact staat met het metselwerk bevindt zich bijgevolg in het onderste deel van de muur. Alleen wanneer de funderingen uit capil­laire materialen zijn samengesteld, is het noodzakelijk om de injecties in het onderste deel van de muur uit te voeren.